Katherine Arden – De beer en de nachtegaal

Een heerlijke en duistere vertelling met wortels in Russische volkssprookjes. De jonge Vasja is een buitenbeentje in het huishouden waar ze met haar geliefde broer Sasja, haar zus Olga en haar vader en moeder woont. De winters zijn ijskoud, en het is steeds een gevecht om het warm te krijgen en eten op tafel te toveren. Vasja gaat vaak het bos in, en ontmoet daar een duistere man. Als Vasja’s stiefmoeder haar verbiedt om te gaan met mythische gedaantes, beginnen de oogsten te mislukken en de familieverhoudingen onder spanning te staan. Het wordt steeds duidelijker dat Vasja magische gaven bezit, maar haar stiefmoeder ziet haar als bedreiging en wil haar zo snel mogelijk uithuwelijken of in een klooster stoppen. Kan Vasja haar eigen bestemming vinden? En wat is de rol van de Winterkoning?

Dit is het eerste deel van een trilogie. De volgende delen heten Het meisje in de toren en De winter van de heks.

Na lange tijd klopte Vasja het ijs en de schors van haar kleren en toog naar huis, terwijl ze eindelijk haar geweten voelde knagen. Het bos was somber van de schaduwen; de korter wordende dagen gingen vlug in de nacht over, dus haastte ze zich voort. Ze zou een hevige bestraffing moeten ondergaan, maar Doenja zou wel een bord eten voor haar hebben klaarstaan.
Ze liep alsmaar verder, en bleef toen fronsend staan. Links van de grijze els, om die ondeugende oude iep heen — dan zou ze haar vaders velden moeten zien. Ze was wel duizend keer over dat pad gelopen. Maar gek genoeg was er nu geen els, en ook geen iep, alleen een groepje sparren met zwarte naalden en een klein sneeuwweitje. Vasja keerde om en probeerde een nieuwe richting. Nee, hier stonden slanke beuken, blank als jonge meisjes, winterkaal en trillend. Plotseling voelde Vasja zich ongemakkelijk. Ze kon niet verdwaald zijn; ze verdwaalde nooit. Ze kende de weg hier net zo goed als in haar eigen huis. Er stek een wind op die alle bomen deed schudden, maar nu waren het bomen die ze niet kende.
Verdwaald, dacht Vasja. Ze was verdwaald in de schemering, in het holst van de winter, en het zou gaan sneeuwen. Weer probeerde ze een andere richting. Maar in dat weifelende woud herkende ze geen enkele boom. Opeens welden er tranen in haar ogen op. Verdwaald, ik ben verdwaald, dacht ze. Ze verlangde naar Olja en Doenja, naar haar vader en Sasja. Ze verlangde naar soep, haar deken, en zelfs naar haar verstelwerk.

Citaat pagina 31-32, vertaler Inge Boesewinkel

Iets soortgelijks?

Hans Christiaan Andersen – De sneeuwkoningin

Philip Pullman – De Noorderlicht trilogie

Naomi Novik – Ontworteld

Advertentie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s