Johan Fretz – Onder de Paramariboom

IMG_0883

Ik heb genoten van dit humoristische reisje naar Suriname. De schrijver gaat met zijn moeder op bezoek in Suriname waar zijn en haar roots liggen. Johan gaat met gezonde tegenzin. Hij heeft zich altijd een Nederlander gevoeld en geen Surinamer van gemengd bloed. Er schemert racisme door in zijn verhaal: de keer dat hij uitgescholden wordt voor Turkie, en op een studentenfeest uitgemaakt voor rozen verkopende Pakistaan. Hij gaat er relaxt mee om.
Zijn moeder is een ras-echte Surinaamse met een hart van goud, hart op de tong, liefde voor haar man die ze consequent uitscheld voor Duitser, en haar eigen vorm van racisme uitoefent.
Het is een road-trip naar het verleden en de familie van zijn moeder, en ondertussen beleeft Fretz een romance met Jaantje die van Hongaarse afkomst is.
Het is heel erg leuk om de dagelijkse gewoonten en uitdrukkingen van Surinaamse op deze manier tot je te krijgen. Ik had bewondering voor de nuchtere no nonsense manier waarop veel Surinamers omgaan met zware onderwerpen als politiek (daar gaan we het niet over hebben, die Bouta), religie (de Jood leent koffie bij de Moslim buurman en gooit er een scheut drank in) en zelfs racisme.

Het deed me denken aan mijn tijd in Suriname in de 90er jaren waar ik op bezoek was bij vrienden. Een retro bonte avond waar de pastoor een anti-drugslied zong vond ik hilarisch, evenals de bizar amateuristische tv-reclames.
Een uitstapje naar Nickerie’s prachtige natuurgebied Bigi Pan, zwemmen bij Cola Kreek en fietsen door Paramaribo waar ik ‘Boeroe’ naar mijn hoofd geslingerd kreeg, niet wetende wat dat betekende…
Ik had er een geweldige tijd.

Het past natuurlijk bij de hardnekkige karikatuur van Surinamers, dat ze lang en veel slapen, maar bij ons wordt het cliché teruggebracht tot een familiaire kwaal die stamt uit de geschiedenis. Ik houd mijn ogen erfelijk dicht. Mijn moeder heeft me geleerd om dit als argument in de strijd te werpen tegen zeurende kortslapers en dat doet ze zelf dan ook dagelijks, wanneer mijn vader haar rond het middaguur uit bed probeert te krijgen. Virginia roept hij. ‘Denk je dat het nog gaat lukken voor het achtuurjournaal?’

‘Jan,’ zegt ze dan, vrij fel voor iemand die nog in half comateuze staat verkeert, ‘het is genetisch, dat begrijp jij `Genetisch?’ `Omdat je Duits bent!’ `Ik ben niet Duits!’ Mijn vader is wel Duits, dat wil zeggen: zijn ouders kwamen uit Duitsland, maar volgens mijn vader kwam zijn moeder uit de Elzas en is dat van oorsprong Frans grondgebied, en kwam zijn vader, als je maar lang genoeg terug zoekt in de stamboom, uit Canada, of uit Friesland, dus is hijzelf eigenlijk een Franse Canadees, een Canadese Fries, of Friese Fransoos. Alles best, zolang hij maar geen Duitser hoeft te zijn. ‘Jij slaapt kort,’ zegt mijn moeder tegen hem, ‘omdat je je schuldig voelt over je geschiedenis. En terecht! Maar mijn geschiedenis is anders. Ik slaap uit namens mijn voorouders. Ik ben aan het uitrusten van de slavernij, Jan, dus laat me met rust!’ Mijn moeder voelt zich nooit schuldig als ze lang slaapt. Dat is het belangrijkste verschil tussen ons: ik voel me altijd schuldig, want ik ben half, dus ook een calvinist. Misschien is dat knagende schuldgevoel de reden dat ik, hoewel ik soms elf uur onder zeil ben, toch een grote poster in mijn slaapkamer heb opgehangen met Rainer Werner Fassbinders levensmotto: SLAPEN DOEN WE ALS WE DOOD ZIJN.

Citaat pagina 21-22

Iets soortgelijks?

Greta Riemersma – Het land van zijn vader

Diederik Samwel – Jelaya

David Sedaris – Van je familie moet je het hebben

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s